Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
vernietigen
De bestanden worden volledig vernietigd.
begrijpen
Men kan niet alles over computers begrijpen.
gebruiken
Zelfs kleine kinderen gebruiken tablets.
eten
De kippen eten de granen.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?