Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
vragen
Mijn kleinkind vraagt veel van mij.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
uitslapen
Ze willen eindelijk eens een nacht uitslapen.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
annuleren
Het contract is geannuleerd.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
misgaan
Alles gaat vandaag mis!
voorgaan
Gezondheid gaat altijd voor!
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
beslissen
Ze kan niet beslissen welke schoenen ze moet dragen.