Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
vergeven
Ik vergeef hem zijn schulden.
aannemen
Het bedrijf wil meer mensen aannemen.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
overnachten
We overnachten in de auto.