Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
wegjagen
De ene zwaan jaagt de andere weg.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
openen
Het kind opent zijn cadeau.
sprakeloos maken
De verrassing maakt haar sprakeloos.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
straffen
Ze strafte haar dochter.
aanspreken
Mijn leraar spreekt me vaak aan.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.