Woordenlijst
Zweeds – Werkwoorden oefenen
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
moeten
Hij moet hier uitstappen.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.