Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
ontmoeten
Soms ontmoeten ze elkaar in het trappenhuis.
zitten
Er zitten veel mensen in de kamer.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
straffen
Ze strafte haar dochter.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
controleren
Hij controleert wie daar woont.
worden dronken
Hij wordt bijna elke avond dronken.
vergeten
Ze is nu zijn naam vergeten.
sparen
Het meisje spaart haar zakgeld.
gemakkelijk gaan
Surfen gaat hem gemakkelijk af.