Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
tellen
Ze telt de munten.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
verder gaan
Je kunt op dit punt niet verder gaan.
produceren
We produceren onze eigen honing.
missen
De man heeft zijn trein gemist.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.