Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
rondreizen
Ik heb veel rond de wereld gereisd.
verdenken
Hij verdenkt dat het zijn vriendin is.
gebeuren
Er is iets ergs gebeurd.
willen
Hij wil te veel!
bedekken
Ze heeft het brood met kaas bedekt.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
rondrijden
De auto’s rijden in een cirkel rond.