Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
parkeren
De fietsen staan voor het huis geparkeerd.
bereiden
Ze bereiden een heerlijke maaltijd.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
liegen
Soms moet men liegen in een noodsituatie.
verantwoordelijk zijn voor
De arts is verantwoordelijk voor de therapie.
beginnen met rennen
De atleet staat op het punt om te beginnen met rennen.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.