Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
verbeteren
Ze wil haar figuur verbeteren.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
vechten
De atleten vechten tegen elkaar.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
weglopen
Onze kat is weggelopen.
missen
Ze heeft een belangrijke afspraak gemist.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
voelen
Hij voelt zich vaak alleen.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.