Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
terugnemen
Het apparaat is defect; de winkelier moet het terugnemen.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
binnenkomen
Hij komt de hotelkamer binnen.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.
vermijden
Hij moet noten vermijden.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
bedekken
Ze bedekt haar gezicht.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
omdraaien
Je moet hier de auto omdraaien.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.