Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
geven
De vader wil zijn zoon wat extra geld geven.
wonen
Ze wonen in een gedeeld appartement.
omgaan
Men moet met problemen omgaan.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
gebruiken
We gebruiken gasmaskers in het vuur.
teruggaan
Hij kan niet alleen teruggaan.
parkeren
De auto’s staan in de ondergrondse garage geparkeerd.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
beschadigen
Twee auto’s raakten beschadigd bij het ongeluk.
aansteken
Hij stak een lucifer aan.