Woordenlijst
Roemeens – Werkwoorden oefenen
schoonmaken
De werker maakt het raam schoon.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
begrijpen
Ik kan je niet begrijpen!
terugvinden
Na de verhuizing kon ik mijn paspoort niet meer terugvinden.
praten met
Iemand zou met hem moeten praten; hij is zo eenzaam.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
genieten
Ze geniet van het leven.
ontvangen
Ze ontving een heel mooi cadeau.
vaststellen
De datum wordt vastgesteld.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.