Woordenlijst
Leer werkwoorden – Noors
gå inn
T-banen har nettopp gått inn på stasjonen.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
virke
Motorsykkelen er ødelagt; den virker ikke lenger.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.
handle
Folk handler med brukte møbler.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
blande
Hun blander en fruktjuice.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
påta seg
Jeg har påtatt meg mange reiser.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
referere
Læreren refererer til eksempelet på tavlen.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
øke
Selskapet har økt inntektene sine.
verhogen
Het bedrijf heeft zijn omzet verhoogd.
diskutere
Kollegaene diskuterer problemet.
bespreken
De collega’s bespreken het probleem.
transportere
Lastebilen transporterer varene.
vervoeren
De vrachtwagen vervoert de goederen.
skyve
Bilen stoppet og måtte skyves.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
føle
Hun føler babyen i magen sin.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.