Woordenlijst
Noors – Werkwoorden oefenen
schoonmaken
Ze maakt de keuken schoon.
kletsen
Hij kletst vaak met zijn buurman.
een toespraak houden
De politicus houdt een toespraak voor veel studenten.
toelopen
Het meisje loopt naar haar moeder toe.
verwijderen
De graafmachine verwijdert de grond.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
instellen
Je moet de klok instellen.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
walgen van
Ze walgde van spinnen.
voelen
Ze voelt de baby in haar buik.