Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
aanbieden
Wat bied je me aan voor mijn vis?
overnachten
We overnachten in de auto.
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
veroorzaken
Suiker veroorzaakt veel ziekten.
reizen
Hij reist graag en heeft veel landen gezien.
delen
We moeten leren onze rijkdom te delen.
onderstrepen
Hij onderstreepte zijn uitspraak.
vernieuwen
De schilder wil de muurkleur vernieuwen.
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.