Woordenlijst
Frans – Werkwoorden oefenen
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
samenbrengen
De taalcursus brengt studenten van over de hele wereld samen.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
stoppen
Hij stopte met zijn baan.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.