Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
bewaren
Ik bewaar mijn geld in mijn nachtkastje.
noemen
Hoeveel landen kun je noemen?
instellen
Je moet de klok instellen.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
doorgaan
Kan de kat door dit gat gaan?
vergeven
Ze kan het hem nooit vergeven!
voorbijgaan
De trein gaat aan ons voorbij.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
bekend zijn met
Ze is niet bekend met elektriciteit.
vermijden
Ze vermijdt haar collega.
vertellen
Ze vertelde me een geheim.