Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
terugkomen
De boemerang kwam terug.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
walgen van
Ze walgde van spinnen.
draaien
Ze draait het vlees.
sturen
Dit bedrijf stuurt goederen over de hele wereld.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
ondernemen
Ik heb veel reizen ondernomen.
vertrouwen
We vertrouwen elkaar allemaal.
overnachten
We overnachten in de auto.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.