Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
verlaten
De man vertrekt.
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
loslaten
Je mag de grip niet loslaten!
trainen
Professionele atleten moeten elke dag trainen.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
gebruiken
Ze gebruikt dagelijks cosmetische producten.
drukken
Boeken en kranten worden gedrukt.
uitkomen
Wat komt er uit het ei?
annuleren
De vlucht is geannuleerd.
overtreffen
Walvissen overtreffen alle dieren in gewicht.