Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
zoeken naar
De politie zoekt naar de dader.
trouwen
Minderjarigen mogen niet trouwen.
besmet raken
Ze raakte besmet met een virus.
instellen
Je moet de klok instellen.
betalen
Ze betaalde met een creditcard.
produceren
Men kan goedkoper produceren met robots.
binnenkomen
Het schip komt de haven binnen.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
mengen
Ze mengt een vruchtensap.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
nodig hebben
Ik heb dorst, ik heb water nodig!