Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
controleren
De tandarts controleert de tanden.
kopen
Ze willen een huis kopen.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
vertegenwoordigen
Advocaten vertegenwoordigen hun cliënten in de rechtbank.
hangen
IJsspegels hangen van het dak.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
slaan
Ouders zouden hun kinderen niet moeten slaan.
kijken
Ze kijkt door een verrekijker.
luisteren
Hij luistert graag naar de buik van zijn zwangere vrouw.