Woordenlijst
Duits – Werkwoorden oefenen
verkopen
De handelaren verkopen veel goederen.
verdelen
Ze verdelen het huishoudelijk werk onder elkaar.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
wandelen
De familie gaat op zondag wandelen.
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
uitgaan
De meisjes gaan graag samen uit.
werken voor
Hij heeft hard gewerkt voor zijn goede cijfers.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
ontcijferen
Hij ontcijfert de kleine letters met een vergrootglas.
bezorgen
Onze dochter bezorgt kranten tijdens de vakantie.
versturen
Ze wil de brief nu versturen.