Woordenlijst
Japans – Werkwoorden oefenen
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
eisen
Hij eiste compensatie van de persoon waarmee hij een ongeluk had.
werken
Ze werkt beter dan een man.
vormen
We vormen samen een goed team.
verspillen
Energie mag niet verspild worden.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
stoppen
De vrouw stopt een auto.
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!
schilderen
Hij schildert de muur wit.