Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
zingen
De kinderen zingen een lied.
bouwen
De kinderen bouwen een hoge toren.
overweg kunnen
Stop met ruziën en kunnen jullie eindelijk met elkaar overweg!
achteruit zetten
Binnenkort moeten we de klok weer achteruit zetten.
beschermen
De moeder beschermt haar kind.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
handelen
Mensen handelen in gebruikte meubels.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
kletsen
Ze kletsen met elkaar.
antwoorden
Ze antwoordde met een vraag.