Woordenlijst
Ests – Werkwoorden oefenen
beginnen
De wandelaars begonnen vroeg in de ochtend.
zorgen voor
Onze conciërge zorgt voor de sneeuwruiming.
verbinden
Deze brug verbindt twee wijken.
branden
Er brandt een vuur in de open haard.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
voeden
De kinderen voeden het paard.
liegen
Hij liegt vaak als hij iets wil verkopen.
verkennen
Mensen willen Mars verkennen.
drukken
Hij drukt op de knop.
terugbellen
Bel me morgen alstublieft terug.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.