Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
overnachten
We overnachten in de auto.
toevoegen
Ze voegt wat melk toe aan de koffie.
garanderen
Verzekering garandeert bescherming bij ongevallen.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
bewegen
Het is gezond om veel te bewegen.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
verheugen
Kinderen verheugen zich altijd op sneeuw.