Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
draaien
Je mag naar links draaien.
vertrekken
Onze vakantiegasten vertrokken gisteren.
updaten
Tegenwoordig moet je je kennis voortdurend updaten.
schrijven
Hij schrijft een brief.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
kletsen
Studenten mogen niet kletsen tijdens de les.
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!
doorlaten
Moeten vluchtelingen aan de grenzen worden doorgelaten?
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
benadrukken
Je kunt je ogen goed benadrukken met make-up.