Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
controleren
De tandarts controleert het gebit van de patiënt.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
rijden
Ze rijden zo snel als ze kunnen.
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
vervoeren
We vervoeren de fietsen op het dak van de auto.
overlaten
De eigenaren laten hun honden aan mij over voor een wandeling.
naar je toekomen
Het geluk komt naar je toe.
weggooien
Deze oude rubberen banden moeten apart worden weggegooid.
mengen
De schilder mengt de kleuren.
houden
Je mag het geld houden.