Woordenlijst
Deens – Werkwoorden oefenen
ontvangen
Ik kan zeer snel internet ontvangen.
leiden
Hij leidt graag een team.
wassen
De moeder wast haar kind.
beginnen
Een nieuw leven begint met een huwelijk.
wennen aan
Kinderen moeten wennen aan het tandenpoetsen.
dichterbij komen
De slakken komen dichter bij elkaar.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.