Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
terugkeren
De vader is teruggekeerd uit de oorlog.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
uitgaan
De kinderen willen eindelijk naar buiten.
schoppen
In vechtsporten moet je goed kunnen schoppen.
verwijderen
Hoe kan men een rode wijnvlek verwijderen?
spellen
De kinderen leren spellen.
tonen
Ik kan een visum in mijn paspoort tonen.
vertrekken
De trein vertrekt.
gebeuren
Vreemde dingen gebeuren in dromen.
doorkomen
Het water was te hoog; de truck kon er niet doorheen.
begrenzen
Hekken begrenzen onze vrijheid.