Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
weggooien
Hij stapt op een weggegooide bananenschil.
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
ontvangen
Hij ontvangt een goed pensioen op oudere leeftijd.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
huilen
Het kind huilt in het bad.
bellen
Het meisje belt haar vriendin.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.