Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
voor laten
Niemand wil hem voor laten gaan bij de kassa van de supermarkt.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
bestaan
Dinosaurussen bestaan tegenwoordig niet meer.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
wijken
Veel oude huizen moeten wijken voor de nieuwe.
voeden
De kinderen voeden het paard.
verdwalen
Ik ben onderweg verdwaald.
uitzoeken
Ze zoekt een nieuwe zonnebril uit.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
slaan
Ze slaat de bal over het net.
rondkomen
Ze moet rondkomen met weinig geld.