Woordenlijst
Afrikaans – Werkwoorden oefenen
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
knippen
De kapper knipt haar haar.
verliezen
Wacht, je hebt je portemonnee verloren!
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
annuleren
Hij heeft helaas de vergadering geannuleerd.
missen
Hij mist zijn vriendin erg.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
houden van
Ze houdt meer van chocolade dan van groenten.
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.
terugkomen
De boemerang kwam terug.
worden
Ze zijn een goed team geworden.