Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
leave out
You can leave out the sugar in the tea.
stoppen
De agente stopt de auto.
stop
The policewoman stops the car.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
lead
The most experienced hiker always leads.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.
go by train
I will go there by train.
eten
De kippen eten de granen.
eat
The chickens are eating the grains.
bekritiseren
De baas bekritiseert de werknemer.
criticize
The boss criticizes the employee.
houden van
Ze houdt echt veel van haar paard.
love
She really loves her horse.
weggeven
Ze geeft haar hart weg.
give away
She gives away her heart.
schrijven
Hij schrijft een brief.
write
He is writing a letter.
op maat snijden
De stof wordt op maat gesneden.
cut to size
The fabric is being cut to size.
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
understand
I finally understood the task!