Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
sluiten
Ze sluit de gordijnen.
close
She closes the curtains.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.
vertrekken
De trein vertrekt.
depart
The train departs.
afscheid nemen
De vrouw neemt afscheid.
say goodbye
The woman says goodbye.
verkiezen
Veel kinderen verkiezen snoep boven gezonde dingen.
prefer
Many children prefer candy to healthy things.
bellen
Ze kan alleen bellen tijdens haar lunchpauze.
call
She can only call during her lunch break.
zien
Je kunt beter zien met een bril.
see
You can see better with glasses.
bedanken
Ik bedank je er heel erg voor!
thank
I thank you very much for it!
ter beschikking hebben
Kinderen hebben alleen zakgeld ter beschikking.
have at disposal
Children only have pocket money at their disposal.
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
lie opposite
There is the castle - it lies right opposite!
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
protect
A helmet is supposed to protect against accidents.