Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
omarmen
De moeder omarmt de kleine voetjes van de baby.
embrace
The mother embraces the baby’s little feet.
spellen
De kinderen leren spellen.
spell
The children are learning to spell.
spelen
Het kind speelt liever alleen.
play
The child prefers to play alone.
weten
De kinderen zijn erg nieuwsgierig en weten al veel.
know
The kids are very curious and already know a lot.
bereiden
Ze bereidt een taart.
prepare
She is preparing a cake.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
come home
Dad has finally come home!
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
find one’s way
I can find my way well in a labyrinth.
toestaan
Men mag depressie niet toestaan.
allow
One should not allow depression.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
think
You have to think a lot in chess.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
imagine
She imagines something new every day.
vernielen
De tornado vernielt veel huizen.
destroy
The tornado destroys many houses.