Vocabulary
Learn Verbs – Dutch
aan de beurt komen
Even wachten, je komt zo aan de beurt!
get a turn
Please wait, you’ll get your turn soon!
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
carry out
He carries out the repair.
veroorzaken
Te veel mensen veroorzaken snel chaos.
cause
Too many people quickly cause chaos.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
test
The car is being tested in the workshop.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
get upset
She gets upset because he always snores.
beperken
Tijdens een dieet moet je je voedselinname beperken.
limit
During a diet, you have to limit your food intake.
weerzien
Ze zien elkaar eindelijk weer.
see again
They finally see each other again.
aanbieden
Ze bood aan de bloemen water te geven.
offer
She offered to water the flowers.
thuiskomen
Papa is eindelijk thuisgekomen!
come home
Dad has finally come home!
serveren
De ober serveert het eten.
serve
The waiter serves the food.
stappen op
Ik kan met deze voet niet op de grond stappen.
step on
I can’t step on the ground with this foot.