Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
go
Where are you both going?
gaan
Waar gaan jullie beiden heen?
rent out
He is renting out his house.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
get to know
Strange dogs want to get to know each other.
leren kennen
Vreemde honden willen elkaar leren kennen.
turn off
She turns off the alarm clock.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
spend
She spends all her free time outside.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
get out
She gets out of the car.
uitgaan
Ze stapt uit de auto.
make progress
Snails only make slow progress.
vooruitgang boeken
Slakken boeken alleen langzame vooruitgang.
push
The nurse pushes the patient in a wheelchair.
duwen
De verpleegster duwt de patiënt in een rolstoel.
find one’s way back
I can’t find my way back.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
manage
Who manages the money in your family?
beheren
Wie beheert het geld in jouw gezin?
kick
Be careful, the horse can kick!
schoppen
Pas op, het paard kan schoppen!