Woordenlijst

Leer werkwoorden – Engels (US)

cms/verbs-webp/123170033.webp
go bankrupt
The business will probably go bankrupt soon.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
cms/verbs-webp/100298227.webp
hug
He hugs his old father.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
cms/verbs-webp/62069581.webp
send
I am sending you a letter.
sturen
Ik stuur je een brief.
cms/verbs-webp/110347738.webp
delight
The goal delights the German soccer fans.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
cms/verbs-webp/91254822.webp
pick
She picked an apple.
plukken
Ze plukte een appel.
cms/verbs-webp/113248427.webp
win
He tries to win at chess.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
cms/verbs-webp/104476632.webp
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
cms/verbs-webp/97784592.webp
pay attention
One must pay attention to the road signs.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
cms/verbs-webp/82845015.webp
report to
Everyone on board reports to the captain.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
cms/verbs-webp/33688289.webp
let in
One should never let strangers in.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
cms/verbs-webp/58292283.webp
demand
He is demanding compensation.
eisen
Hij eist compensatie.
cms/verbs-webp/125400489.webp
leave
Tourists leave the beach at noon.
verlaten
Toeristen verlaten het strand rond de middag.