Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
go bankrupt
The business will probably go bankrupt soon.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
hug
He hugs his old father.
knuffelen
Hij knuffelt zijn oude vader.
send
I am sending you a letter.
sturen
Ik stuur je een brief.
delight
The goal delights the German soccer fans.
verheugen
Het doelpunt verheugt de Duitse voetbalfans.
pick
She picked an apple.
plukken
Ze plukte een appel.
win
He tries to win at chess.
winnen
Hij probeert te winnen met schaken.
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
pay attention
One must pay attention to the road signs.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
report to
Everyone on board reports to the captain.
melden
Iedereen aan boord meldt zich bij de kapitein.
let in
One should never let strangers in.
binnenlaten
Men moet nooit vreemden binnenlaten.
demand
He is demanding compensation.
eisen
Hij eist compensatie.