Woordenlijst

Leer werkwoorden – Esperanto

cms/verbs-webp/10206394.webp
elteni
Ŝi apenaŭ povas elteni la doloron!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
cms/verbs-webp/61806771.webp
alporti
La mesaĝisto alportas pakaĵon.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
cms/verbs-webp/124274060.webp
forlasi
Ŝi forlasis al mi tranĉon de pico.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
cms/verbs-webp/38753106.webp
paroli
Oni ne devus paroli tro laŭte en la kinejo.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
cms/verbs-webp/112970425.webp
koleriĝi
Ŝi koleriĝas ĉar li ĉiam ronkas.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
cms/verbs-webp/125884035.webp
surprizi
Ŝi surprizis siajn gepatrojn per donaco.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
cms/verbs-webp/110322800.webp
paroli malbone
La klasanoj parolas malbone pri ŝi.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
cms/verbs-webp/120452848.webp
scii
Ŝi scias multajn librojn preskaŭ memore.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
cms/verbs-webp/41019722.webp
hejmveturi
Post aĉetado, la du hejmveturas.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
cms/verbs-webp/91603141.webp
forkuri
Iuj infanoj forkuras el hejmo.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
cms/verbs-webp/67095816.webp
kunlokiĝi
La du planas kunlokiĝi baldaŭ.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.
cms/verbs-webp/78973375.webp
akiri malsanan ateston
Li devas akiri malsanan ateston de la kuracisto.
ziektebriefje halen
Hij moet een ziektebriefje halen bij de dokter.