Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
rigardi
Ŝi rigardas tra truo.
kijken
Ze kijkt door een gat.
pentri
Ŝi pentris siajn manojn.
schilderen
Ze heeft haar handen geschilderd.
doni
Kion ŝia koramiko donis al ŝi por ŝia naskiĝtago?
geven
Wat heeft haar vriend haar voor haar verjaardag gegeven?
gusti
Tio gustas vere bone!
smaken
Dit smaakt echt goed!
sekvi
Mia hundo sekvas min kiam mi kuras.
volgen
Mijn hond volgt me als ik jog.
forveturi
Kiam la lumo ŝanĝiĝis, la aŭtoj forveturis.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.
antaŭenigi
Ni bezonas antaŭenigi alternativojn al aŭtomobila trafiko.
bevorderen
We moeten alternatieven voor autoverkeer bevorderen.
disigi
Nia filo ĉion disigas!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
naĝi
Ŝi regule naĝas.
zwemmen
Ze zwemt regelmatig.
sendi
Mi sendas al vi leteron.
sturen
Ik stuur je een brief.
esti venkita
La pli malforta hundo estas venkita en la batalo.
verslagen worden
De zwakkere hond wordt verslagen in het gevecht.