Woordenlijst
Leer werkwoorden – Esperanto
elteni
Ŝi apenaŭ povas elteni la doloron!
verdragen
Ze kan de pijn nauwelijks verdragen!
alporti
La mesaĝisto alportas pakaĵon.
brengen
De koerier brengt een pakketje.
forlasi
Ŝi forlasis al mi tranĉon de pico.
achterlaten
Ze liet een stuk pizza voor me achter.
paroli
Oni ne devus paroli tro laŭte en la kinejo.
spreken
Men moet niet te luid spreken in de bioscoop.
koleriĝi
Ŝi koleriĝas ĉar li ĉiam ronkas.
boos worden
Ze wordt boos omdat hij altijd snurkt.
surprizi
Ŝi surprizis siajn gepatrojn per donaco.
verrassen
Ze verraste haar ouders met een cadeau.
paroli malbone
La klasanoj parolas malbone pri ŝi.
kwaadspreken
De klasgenoten spreken kwaad over haar.
scii
Ŝi scias multajn librojn preskaŭ memore.
kennen
Ze kent veel boeken bijna uit haar hoofd.
hejmveturi
Post aĉetado, la du hejmveturas.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
forkuri
Iuj infanoj forkuras el hejmo.
weglopen
Sommige kinderen lopen van huis weg.
kunlokiĝi
La du planas kunlokiĝi baldaŭ.
samenwonen
De twee zijn van plan om binnenkort samen te gaan wonen.