Woordenlijst
Leer werkwoorden – Nynorsk
ville ha
Han vil ha for mykje!
willen
Hij wil te veel!
eige
Eg eig ein raud sportsbil.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
hoppe over
Atleten må hoppe over hindringa.
overspringen
De atleet moet over het obstakel springen.
gjere feil
Tenk nøye så du ikkje gjer feil!
een fout maken
Denk goed na zodat je geen fout maakt!
springe vekk
Sonen vår ville springe vekk frå heimen.
weglopen
Onze zoon wilde van huis weglopen.
setje seg
Ho set seg ved sjøen i solnedgangen.
zitten
Ze zit bij de zee tijdens zonsondergang.
ligge imot
Der er slottet - det ligg rett imot!
tegenover liggen
Daar is het kasteel - het ligt er recht tegenover!
dra
Han drar sleden.
trekken
Hij trekt de slee.
bli venner
Dei to har blitt venner.
vrienden worden
De twee zijn vrienden geworden.
dytte
Bilen stoppa og måtte dyttast.
duwen
De auto stopte en moest geduwd worden.
tenke
Ho må alltid tenke på han.
denken
Ze moet altijd aan hem denken.