Woordenlijst
Leer werkwoorden – Engels (US)
leave standing
Today many have to leave their cars standing.
laten staan
Vandaag moeten velen hun auto’s laten staan.
look up
What you don’t know, you have to look up.
opzoeken
Wat je niet weet, moet je opzoeken.
cut up
For the salad, you have to cut up the cucumber.
snijden
Voor de salade moet je de komkommer snijden.
find one’s way back
I can’t find my way back.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
understand
I finally understood the task!
begrijpen
Ik begreep eindelijk de taak!
wash up
I don’t like washing the dishes.
afwassen
Ik hou niet van afwassen.
spend the night
We are spending the night in the car.
overnachten
We overnachten in de auto.
happen
An accident has happened here.
gebeuren
Hier is een ongeluk gebeurd.
depend
He is blind and depends on outside help.
afhangen van
Hij is blind en is afhankelijk van hulp van buitenaf.
carry out
He carries out the repair.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
shout
If you want to be heard, you have to shout your message loudly.
schreeuwen
Als je gehoord wilt worden, moet je je boodschap luid schreeuwen.