Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
springen
Hij sprong in het water.
opletten
Men moet opletten voor de verkeersborden.
schrijven op
De kunstenaars hebben op de hele muur geschreven.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
herhalen
Mijn papegaai kan mijn naam herhalen.
voelen
De moeder voelt veel liefde voor haar kind.
genereren
We genereren elektriciteit met wind en zonlicht.
onderdak vinden
We vonden onderdak in een goedkoop hotel.
bedekken
Het kind bedekt zijn oren.
achtervolgen
De cowboy achtervolgt de paarden.
sorteren
Hij sorteert graag zijn postzegels.