Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
vertellen
Ik heb iets belangrijks te vertellen.
bewust zijn van
Het kind is zich bewust van de ruzie van zijn ouders.
bezitten
Ik bezit een rode sportwagen.
bezorgen
De pizzabezorger bezorgt de pizza.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
kopen
Ze willen een huis kopen.
voorstellen
Ze stelt zich elke dag iets nieuws voor.
tellen
Ze telt de munten.
samenwerken
We werken samen als een team.
binnenkomen
De metro is net het station binnengekomen.
wegrijden
Toen het licht veranderde, reden de auto’s weg.