Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
bidden
Hij bidt in stilte.
doorrijden
De auto rijdt door een boom.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
kopen
Ze willen een huis kopen.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
uit elkaar halen
Onze zoon haalt alles uit elkaar!
voorbijgaan
De twee lopen elkaar voorbij.
ontdekken
De zeelieden hebben een nieuw land ontdekt.
testen
De auto wordt in de werkplaats getest.
werken
De motorfiets is kapot; hij werkt niet meer.