Woordenlijst
Thai – Werkwoorden oefenen
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
ontbijten
We ontbijten het liefst op bed.
aanraken
De boer raakt zijn planten aan.
leiden
De meest ervaren wandelaar leidt altijd.
uitoefenen
Ze oefent een ongewoon beroep uit.
verwijderen
Onkruid moet verwijderd worden.
doen voor
Ze willen iets voor hun gezondheid doen.
achterlopen
De klok loopt een paar minuten achter.
vertrekken
Het schip vertrekt uit de haven.
redden
De dokters konden zijn leven redden.
liggen
De kinderen liggen samen in het gras.