Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
uitspreken
Ze wil zich uitspreken tegen haar vriend.
zich bevinden
Er bevindt zich een parel in de schelp.
wakker worden
Hij is net wakker geworden.
naar beneden kijken
Ik kon vanuit het raam naar het strand beneden kijken.
beschermen
Een helm moet tegen ongelukken beschermen.
nodig hebben
Je hebt een krik nodig om een band te verwisselen.
vermelden
De baas vermeldde dat hij hem zal ontslaan.
schoppen
Ze schoppen graag, maar alleen bij tafelvoetbal.
onderschrijven
We onderschrijven graag uw idee.
weglaten
Je kunt de suiker in de thee weglaten.
met de trein gaan
Ik ga er met de trein heen.