Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
uitgeven
Ze heeft al haar geld uitgegeven.
verhuren
Hij verhuurt zijn huis.
lezen
Ik kan niet zonder bril lezen.
uitzetten
Ze zet de wekker uit.
consumeren
Ze consumeert een stukje taart.
ontslaan
De baas heeft hem ontslagen.
vereenvoudigen
Je moet ingewikkelde dingen voor kinderen vereenvoudigen.
leuk vinden
Het kind vindt het nieuwe speelgoed leuk.
draaien
Ze pakte de telefoon en draaide het nummer.
uitvoeren
Hij voert de reparatie uit.
uitspringen
De vis springt uit het water.