Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
mengen
Je kunt een gezonde salade met groenten mengen.
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
veranderen
Het licht veranderde in groen.
denken
Je moet veel denken bij schaken.
de weg terugvinden
Ik kan de weg terug niet vinden.
kijken
Iedereen kijkt naar hun telefoons.
vormen
We vormen samen een goed team.
belonen
Hij werd beloond met een medaille.
bezoeken
Ze bezoekt Parijs.
straffen
Ze strafte haar dochter.
bedienen
De chef bedient ons vandaag zelf.