Woordenlijst
Lets – Werkwoorden oefenen
naar buiten willen
Het kind wil naar buiten.
uitspringen
De vis springt uit het water.
inloggen
Je moet inloggen met je wachtwoord.
failliet gaan
Het bedrijf gaat waarschijnlijk binnenkort failliet.
overtuigen
Ze moet haar dochter vaak overtuigen om te eten.
dragen
Ze dragen hun kinderen op hun rug.
beïnvloeden
Laat je niet door anderen beïnvloeden!
importeren
We importeren fruit uit veel landen.
willen
Hij wil te veel!
doen
Dat had je een uur geleden moeten doen!
verloven
Ze hebben stiekem verloofd!