Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
naar huis rijden
Na het winkelen rijden de twee naar huis.
verwijzen
De leraar verwijst naar het voorbeeld op het bord.
terugkrijgen
Ik kreeg het wisselgeld terug.
uitsluiten
De groep sluit hem uit.
doorbrengen
Ze brengt al haar vrije tijd buiten door.
de weg vinden
Ik kan goed de weg vinden in een labyrint.
verminderen
Ik moet absoluut mijn stookkosten verminderen.
samenvatten
Je moet de belangrijkste punten uit deze tekst samenvatten.
hangen
De hangmat hangt aan het plafond.
betalen
Ze betaalt online met een creditcard.
opschrijven
Je moet het wachtwoord opschrijven!