Woordenlijst
Koreaans – Werkwoorden oefenen
duidelijk zien
Ik kan alles duidelijk zien door mijn nieuwe bril.
verhuizen
Mijn neefje gaat verhuizen.
vragen
Hij vraagt haar om vergeving.
vertellen
Ze vertelt haar een geheim.
rondspringen
Het kind springt vrolijk in het rond.
sorteren
Ik heb nog veel papieren te sorteren.
langskomen
De artsen komen elke dag bij de patiënt langs.
arriveren
De taxi’s zijn bij de halte gearriveerd.
vergelijken
Ze vergelijken hun cijfers.
negeren
Het kind negeert de woorden van zijn moeder.
verhuizen
De buurman verhuist.